WerkwijzeBlog

Menu

Pijn in de hamstring: hoe ontstaat een hamstringblessure?

Voor voetballers is het een bekend verhaal: plots een scherpe, strak aanvoelende pijn in de achterzijde van het bovenbeen. Hamstringblessures behoren al jaren tot de meest voorkomende blessures binnen het (professionele) voetbal. Vaak wordt een hamstringblessure gezien als een en hetzelfde probleem. En juist daar kan het misgaan.

Niet elke hamstringblessure is gelijk en dit heeft directe gevolgen voor het herstelproces. In eerdere blogs hebben we al toegelicht dat de locatie van het letsel van groot belang is. Een blessure die zich beperkt tot de spiervezels kent doorgaans een gunstiger beloop. Wanneer de daadwerkelijke blessure zich echter meer richting de pees of de centrale aponeurose bevindt, verloopt het herstel aantoonbaar trager en is de kans op terugkerende klachten groter.

Nieuw onderzoek uit 2025 voegt daar een belangrijke laag aan toe. Het laat zien dat ook individuele anatomische variatie een rol speelt, met name in de vorm en opbouw van de hamstrings. Deze variatie beïnvloedt sterk welk weefsel onder belasting komt te staan en hoe goed een blessure kan herstellen.

Dit inzicht helpt verklaren waarom twee spelers met vergelijkbare hamstringklachten toch een totaal verschillend hersteltraject kunnen doorlopen. Revalidatie van hamstringblessures vraagt steeds meer om maatwerk gebaseerd op begrip van zowel weefseltype, locatie en de anatomie.

Afspraak maken

Anatomie van de hamstring

De hamstring bestaat uit drie spieren die allemaal ontspringen aan de zitbeenknobbel (tuber ischiadicum): de semimembranosus, semitendinosus en de lange kop van de biceps femoris. Ter hoogte van deze aanhechting delen zij een gemeenschappelijke peesstructuur.

Wat deze regio bijzonder maakt, is dat deze gezamenlijke pees zich via bindweefsel voortzet in de spierbuik, met name in de lange kop van de biceps femoris. Op beeldvorming is dit zichtbaar als een karakteristiek T-vormig patroon, waarbij pees, aponeurotisch bindweefsel en spiervezels samenkomen. Deze structuur staat bekend als de T-junction in de Engelstalige literatuur.

Dit gebied is anatomisch gezien geen simpele overgang, maar een complex netwerk van verschillende weefseltypes. Juist die combinatie maakt de hamstring in sommige gevallen extra kwetsbaar voor blessures, vooral onder hoge snelheids- en sprintbelasting, zoals die bij voetbal veel voorkomt.

Een langere of kortere centrale aponeurose van de hamstring

Niet iedereen heeft dezelfde hamstringanatomie. Onderzoek laat zien dat er grofweg twee anatomische varianten bestaan. Bij sommige sporters loopt de centrale aponeurose, het verticale deel van de T-junction, diep door in de spierbuik van de lange kop van de biceps femoris. In deze gevallen beslaat de aponeurose uit meer dan 30% van de totale spierlengte. Dit wordt aangeduid als een lange T-junction.

Bij anderen blijft deze aponeurose meer beperkt tot meer proximaal van de spier. Dit noemen we een korte T-junction. Deze anatomische variatie blijkt van grote invloed op zowel het beloop van een blessure in dit gebied als op het risico op en nieuwe hamstring blessure.

Belangrijk hierbij is dat het niet alleen gaat om blessuregevoeligheid. Maar wanneer de centrale aponeurose betrokken raakt, verloopt het herstel biologisch gezien anders dan bij een pure spierscheur. Spiervezels hebben een relatief goed herstel vermogen en herstellen met functioneel vergelijkbaar weefsel. Bindweefselstructuren zoals een aponeurose herstellen daarentegen met littekenweefsel dat minder elastisch en minder belastbaar is dan het oorspronkelijke peesachtige weefsel.

Cijfers spreken voor zich

In een onderzoek van 32 profvoetballers met een eerste hamstringblessure, bevestigd via MRI, werd het herstel nauwkeurig gevolgd. De resultaten laten een duidelijk verschil zien tussen beide anatomische varianten.

Bij spelers met een lange T-junction was de gemiddelde hersteltijd 42,6 dagen,  37,5% van deze groep raakte opnieuw geblesseerd binnen zes maanden.

Spelers met een korte T-junction herstelden gemiddeld in 28,9 dagen. Binnen zes maanden raakte 6,3% van deze spelers opnieuw geblesseerd.

Deze verschillen zijn erg belangrijk en verklaren waarom een standaardtijdslijn bij hamstringrevalidatie vaak tekortschiet.

Waarom dit grote verschil in hersteltijd bij een hamstringblessure

Om dit te begrijpen werd ook onderzoek gedaan, waarbij de anatomie van 10 lichamen in detail werd onderzocht. Hier werd duidelijk dat deze T-junction anatomie echt anders kan zijn tussen mensen. Niet alleen in hoe diep het bindweefsel doorloopt, maar ook in dikte en dichtheid van dat weefsel.

Dit verklaart grotendeels het verschil in herstel. Want het gaat niet alleen om de grootte van de scheur, maar juist om wat er gescheurd is. Bij een lange T-junction heb je meer kans dat je letsel in of nabij dat aponeurotische weefsel zit. En daar ligt het probleem: schade aan deze centrale aponeurose genezen daadwerkelijk anders dan spiervezel scheuren. Trager, met minder functioneel littekenweefsel, en met grotere kans dat het onder spanning weer geblesseerd raakt.

Echografie bij hamstringblessures

Echografie kan bij hamstringblessures een waardevol aanvullend hulpmiddel zijn, wanneer uitgevoerd door een ervaren therapeut. Het grote voordeel van echografie is dat het dynamisch inzicht biedt in het betrokken weefsel. Het maakt het mogelijk om niet alleen de betrokken structuren in beeld te brengen, maar ook veranderingen in weefselkwaliteit te volgen en te beoordelen hoe het gebied reageert op beweging en belasting. Zeker bij spier-peesovergangen en aponeurotisch weefsel kan echografie helpen om richting te geven aan het klinisch beeld, aanvullend op fysiek onderzoek.

Wat betekent dit voor de revalidatie bij hamstringblessures

Voor de revalidatie betekent deze kennis dat het accent verschuift van voorzichtigheid naar meer inzicht. Met name bij sporters met een lange T-junction kan het herstelmechanisme anders zijn en blijft het betrokken weefsel kwetsbaarder onder hoge belasting. Dit wil niet zeggen dat er een trager opbouwschema is, maar wel om scherpere beslismomenten richting return-to-play. Terugkeer naar sport is pas verantwoord wanneer kracht, controle en belastbaarheid volledig hersteld zijn, ook bij hoge snelheden en complexe bewegingen, zonder restpijn of bewegingsbeperkingen. Juist op dat punt wordt het risico op hernieuwde overbelasting van de centrale aponeurose verkleind.

De belangrijkste conclusie is dat niet elke hamstringblessure hetzelfde is, zelfs wanneer de diagnose op papier identiek lijkt. Twee spelers met op het oog een dezelfde hamstringruptuur kunnen biologisch gezien herstellen van twee verschillende problemen, afhankelijk van de betrokken weefsels en de anatomische opbouw van de T-junction. Anatomische variatie biedt hiermee een belangrijke verklaring voor verschillen in herstelduur en de kans op opnieuw een blessure. Voor sporters met terugkerende hamstringklachten onderstreept dit het belang van een aanpak die is gebaseerd op begrip van anatomie, weefselgedrag en belastbaarheid en niet op standaardtijdslijnen of een generalistische aanpak.

Ruben Luijkx
Ruben Luijkx, Master of Science en mede-eigenaar van Fysio Fitaal, is gespecialiseerd in sportgerelateerde klachten, echografisch diagnostiek en manuele therapie. Door te schrijven op fysiofitaal.nl laat hij je kennismaken met de expertise en professionaliteit van Fysio Fitaal in Tilburg.
Inhoudsopgave